Toegankelijkheid kraamzorg voor allochtone vrouwen moet beter

In veel culturen is het niet altijd zo vanzelfsprekend om professionele hulp te vragen na de bevalling, zoals in Nederland wel het geval is. Kersverse moeders van niet-westerse afkomst maken minder gebruik van professionele kraamzorg dan autochtone moeders. Dit heeft met een aantal factoren te maken, zoals opleiding en taalbeheersing, maar ook met cultuur.

In sommige culturen is het heel normaal dat familieleden voor moeder en kind zorgen na de bevalling. Volgens onderzoekers van het Academisch Medisch Centrum en GGD Amsterdam moeten echter ook allochtone moeders meer gebruik maken van
professionele kraamzorg omdat dit leidt tot minder risicovol gedrag. Maar dan moet professionele kraamzorg voor deze groep moeders wel toegankelijker worden.

Recht op kraamzorg
In Nederland hebben pas bevallen vrouwen recht op kraamzorg. Kraamverzorgenden zorgen de eerste acht dagen na de bevalling in de
thuissituatie voor moeder en kind. Ook nemen zij een deel van het huishouden op zich en zorgen zij voor eventuele andere kinderen. Een
belangrijke taak van de kraamverzorgende is ook het geven van voorlichting over bijvoorbeeld (borst)voeding, wiegendood, meeroken,
veiligheid in huis en het gebruik van vitamine K. Uit het rapport van de onderzoekers blijkt dat professionele kraamzorg een positief effect heeft op de zorg voor zuigelingen. Moeders die gebruik maakten van kraamzorg, gaven vaker borstvoeding, gebruikten vaker vitamine K en er werd minder vaak gerookt in huis.

Niet voor het eerst
Dit is niet de eerste keer dat er aan de bel wordt getrokken betreft kraamzorg voor allochtone vrouwen. Eind vorige eeuw bestond al veel
onrust rond de kraamzorg. In opdracht van Els Borst, toenmalig minister van Volksgezondheid, voerde de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) een inspectieonderzoek uit naar de aard, omvang en kwaliteit van de kraamzorg in Nederland. Speciale aandacht werd besteed aan kraamzorg aan allochtone vrouwen.

In het rapport dat naar aanleiding hiervan in 2001 verscheen, werd onder andere geconcludeerd dat de toegankelijkheid van een aanzienlijk deel van de kraamorganisaties onvoldoende was. Wat betreft kraamzorg aan allochtone vrouwen werd vastgesteld dat de voorlichting over de noodzaak, de preventieve belangen en de mogelijkheden van kraamzorg onvoldoende bij allochtone vrouwen terechtkwamen. Ook uit eerdere studies bleek dat Turkse en Marokkaanse vrouwen niet goed bekend waren met het Nederlandse systeem van kraamzorg. Er bleek onduidelijkheid te zijn over wat kraamzorg precies inhoudt, hoeveel het kost en hoe het werkt. In dit onderzoek kwam eveneens naar voren dat een deel van de vrouwen geen gebruik van kraamzorg had gemaakt omdat ze zich te laat hadden ingeschreven. Voor een ander deel bleek het afzien van kraamhulp echter een bewuste keuze: zij gaven aan al genoeg hulp van familie te hebben of wilden liever geen 'vreemde' in huis.

Het afzien van kraamzorg door allochtone vrouwen kan als problematisch worden gezien omdat de kraamzorg ook een belangrijke
voorlichtende functie heeft. Vrouwen die geen kraamzorg hadden ontvangen, bleken minder kennis te hebben over risicofactoren voor
wiegendood en over het gebruik van vitamine K. De inspectie van de Gezondheidszorg deed in haar rapport dan ook de aanbeveling om de voorlichting gericht op allochtone gezinnen over de noodzaak van kraamzorg breed en divers aan te pakken. (Bron: CBS)

Toen en nu
Het gebruik van professionele kraamzorg is sinds het rapport uit 2001 niet veel veranderd. In de periode 2001-2011 maakte 86 procent van de moeders met een niet-westerse allochtone achtergrond gebruik van kraamzorg, tegen 96 procent van de autochtone vrouwen. Uit het
verslag van het Academisch Medisch Centrum en GGD Amsterdam blijkt dat 95 procent van de Nederlandse moeders gebruik maakt van
professionele kraamzorg, terwijl dit voor 85 procent van de Antilliaanse, 81 procent van de Surinaamse, 79 procent van de Marokkaanse, 75 procent van de Turkse en 70 procent van de Ghanese moeders geldt. (Bron: Skipr)

Verklaring
Er zijn verschillende factoren waarom er wel of niet wordt gekozen voor kraamzorg. Een hogere opleiding, het hebben van betaald werk, een thuisbevalling en een betere beheersing van de Nederlandse taal hingen vaker samen met de keuze voor professionele kraamzorg. En dit
verklaart gedeeltelijk de etnische verschillen. Neem alleen al de beheersing van de Nederlandse taal. Zeker niet alle allochtone vrouwen
beheersen de Nederlandse taal voldoende om goed te kunnen communiceren met de kraamhulp. Alleen dit is al een punt van aandacht. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat elke kraamhulp die zorg verleent bij een allochtone vrouw een tolk bij zich moet hebben. Een tolk per telefoon of een videotolk is in dit geval een simpele en snelle oplossing!

Comments are closed.